Posts Tagged ‘Antifascisme’

Anti-Fascistische Aktie roept op tot geweld tegen demonstranten

22/10/2010

In een kort vraaggesprek tijdens het televisieprogramma eenvandaag van 21 oktober 2010, roept woordvoerder Job Polak namens de Anti-Fascistische Aktie (AFA)  zijn achterban op om de komende demonstratie te verstoren. Deze demonstratie wordt gehouden in Amsterdam op zaterdag 30 oktober en wordt georganiseerd door de Dutch Defence League (DDL). De AFA geeft middels woordvoerder Polak aan, alles te zullen doen tegen deze demonstratie en haar deelnemers. En passent wordt nog even medegedeeld dat geweld zeker een optie is die hierbij hoort.

Roept namens de AFA op tot geweld

Het recht om te kunnen demonstreren is zowel opgenomen in het Europees verdrag voor de Rechten van de Mens, als dat het in Nederland grondwettelijk is vastgelegd. Dat zijn uiteraard voor de AFA geen interessante gegevens, wanneer het organisaties betreft die hen niet bevallen, want dan geldt wetgeving blijkbaar niet. Men doet, zoals we wel vaker in het verleden hebben gezien, een verkapte oproep tot geweld en dat ook nog eens in georganiseerd verband. Onduidelijk is nog, of justitie hier stappen tegen gaat ondernemen, want in groepsverband gewelddadig de confrontatie opzoeken is uiteraard strafbaar.

Advertenties

De antifascistische aanslag in Kedichem

11/02/2010

Afgelopen week waarschuuwde de AIVD voor het gewelddadige karakter van de Antifascistische Actie (AFA). De antifascistische beweging heeft vele gewelddadigheden op haar naam staan. Een zeer bekende, met een dodelijke afloop, is de aanslag van de antifascisten op een vergadering van de Centrumdemocraten en de Centrumpartij in Kedichem. Hier volgt een interessante beschrijving uit de ogen van een van de aanvallers:

DE DIJK VAN KEDICHEM

“Steeds meer ben ik ervan overtuigd dat mentaliteiten onstaan uit massa-ervaringen. Maar zijn mensen schuldig aan hun massa-ervaringen? Komen zij daar niet volkomen onbeschermd in terecht? Waarmee moet iemand zijn toegerust om zich hier tegen te kunnen weren? Moet men in staat zijn om eigen massa’s te vormen, teneinde immuun te blijven voor andere?”
Elias Canetti, Das Geheimherz der Uhr.

Op 29 maart 1986 ging in Kedichem, een dorpje in de Betuwe, een hotel in vlammen op waar twee rechtse splinterpartijen een poging tot hereniging ondernamen. Sinds 1982 zat de Centrumpartij met een zetel in de Tweede Kamer op een program dat zichzelf antifascistisch en antiracistisch verklaarde, maar dat zich sterk maakte voor het “beschermen van het Nederlandse kultuurgoed”, een moderne vorm van racisme waarin met name buitenlanders de schuld kregen van woningnood, werkeloosheid, milieuvervuiling en overvolle wegen. Nadat een groepering zich had afgesplitst van de kamerfraktie, leek de parlementaire organisatie van extreem-rechts in Nederland een zachte dood te zullen sterven. Wel was tien dagen voor “Kedichem” voor het eerst in de na-oorlogse geschiedenis een ‘fasciste’ uit de Centrumpartij gekozen in de Amsterdamse gemeenteraad. De beediging daarvan zou op 29 april plaatsvinden en binnen de antifascistische beweging waren de diskussies hoe dit voorkomen moest worden in volle gang. Met de Tweede Kamer-verkiezingen op 26 mei in het vooruitzicht besloten de rivaliserende frakties van de CP een vergadering te beleggen om een eind te maken aan het onderlinge gekonkel en de zaak te lijmen. De gewelddadige verstoring van dit herenigingsgesprek door antifascistische aktievoerders voorkwam dat er weer een extreem-rechtse partij ontstond en leidde ertoe dat zij voor de volgende drie jaar uit de Kamer bleven. De media gaven de sfeer van grof geweld, die de aktievoerders rond de partijen hadden weten op te roepen, uitvoerig door in hun berichtgeving. De foto die de hele gebeurtenis samenvatte als media-event toonde het gehavende CP-Kamerlid, wegvluchtend van de rokende restanten van het hotel des onheils en zou worden uitgeroepen tot de Persfoto van het Jaar. Het motto van de aktie was geweest: “Fascisten mogen zich nooit organiseren, hun vergaderingen moeten verstoord. Fascisten moeten we afschrikken aktief te worden in de CP.” Na afloop konstateren de aktievoerders terecht: “Dit effekt heeft Kedichem gehad.” Qua positieve resultaten en publiciteit was de aktie een volledig sukses geworden. De distantieringen van het Nederlandse verenigingsleven die de gebruikte methodes verwierpen, gaven de genoegdoening over het feit dat de bijeenkomst uiteengeslagen was een fatsoenlijk kader.  Al vanaf 1981 was een brede antifascistische beweging gegroeid van plaatselijke komitees, organisaties van buitenlanders, het voormalig verzet, vrouwengroepen en jongerenorganisaties. Tegelijk kwam ook het aktievoerend deel van de bevolking in konfrontatie met knokploegen, boze boeren, diskoos, voetbalsupporters en skins, die werden samengevat onder de noemer van het “opkomend fascisme”. Beide groepen waren sterk verdeeld over de vraag of de CP, als de politieke uitdrukking van deze tendens, verboden moest en hoe er aktie tegen diende te worden gevoerd. Wat de groepen gemeen hadden was hun beroep op de antifascistische houding en het verzet in de Tweede Wereldoorlog. In alle akties en dokumentaties weerklinkt de drang om een nieuwe vorm te geven aan de herinnering aan de verschrikkingen van het fascisme, die traditioneel jaar na jaar gememoreerd worden in opvoeding, media en literatuur. De vorm die de aktievoerders daaraan wilden geven lag op het existentiâle niveau van de lijfelijke konfrontatie, omdat zij ‘de fascisten’ als direkte aanslag op hun eigen manier van leven waren tegengekomen. De komitees echter zagen meer in politieke bewustzijnsvergroting omtrent het “alledaags rascisme” en in demonstraties na incidenten met rechtse groeperingen. Hun angst voor gewelddadige akties is een gevolg van het feit, dat een massale antifascistische beweging in principe de hele Nederlandse bevolking omvat. Deze imaginaire massa kan eigenlijk alleen maar kleiner worden, omdat ze al een maximale omvang heeft. Zelfs de Centrumpartij erkent dit. Hun kommentaar op Kedichem was: “Ze hebben de antifascisme-komitees geen goede dienst bewezen, want daar zitten toch heel veel integere mensen bij.” De verschillende verhouding tot de imaginaire mede- en tegenstanders garandeert een permanent wederzijds onbegrip tussen de ‘politieke’ en de ‘existentiâle’ variant van het Nederlandse antifascisme.

Er bestaat al geruime tijd een onderzoekstraditie naar de handel en wandel van extreem-rechtse en fascistische individuen en groepen in Nederland. Al speurend was men erachter gekomen dat het verzoeningsgesprek van de rechtse frakties op zaterdag 29 maart zou plaatsvinden, maar de plaats daarvan werd ook in kringen van de CP
geheim gehouden. Op donderdag de 27ste werd in Amsterdam een vergadering met 75 aktievoerders belegd. Daarin wordt niet alleen verteld wat het kruciale belang van de verstoring van de fusie is, maar ook hoe deze verstoring zou moeten verlopen. Een kleine groep met veel aktie-ervaring heeft de organisatie daarvan op zich genomen en
enige diskussie over de te hanteren aktiemethodes vindt niet plaats. Een vage verwijzing naar “het Boekel-model” is het enige dat over deze methodes wordt medegedeeld. Twee jaar daarvoor had het laatste kongres van de CP plaatsgevonden in het Brabantse dorpje Boekel. Aktievoerders uit het hele land waren toen een heftige konfrontatie aangegaan met de 300 aanwezige partijgangers. Het “Boekel-model” nu bestond uit het omsingelen van de vergaderruimte, het eisen van het vertrek van “de fascisten” en, indien hier niet op werd ingegaan, het “uitroken” van de vergaderzaal met traangas of rookbom, waarbij de CP’ers een vluchtweg werd geboden waarlangs ze konden aftaaien. In de praktijk was er in Boekel een groot verschil geweest tussen enerzijds de “demonstranten”, die op
geweldloze wijze de CP wilden aanklagen om de publieke opinie te mobiliseren, en anderzijds de heavy fraktie die de direkte konfrontatie zocht en daar ook op voorbereid was door “ter zelfverdediging” met helmen, leren jassen, knuppels en rookbommen te komen aanzetten. Omdat deze groep als eerste aankwam bij het ook toen al geheim gehouden vergaderadres, werd hun strategie direkt ingezet: ramen gingen in, een traangasgranaat vloog naar binnen en op straat kwam het tot hevige vechtpartijen tussen de CP-knokploeg, de heffo’s en de toen net gearriveerde demonstranten die de klappen kregen. Ruzies hierover onder de aktievoerders liepen achteraf hoog op, maar dat was men vlak voor Kedichem schijnbaar allemaal weer vergeten. Wat het “Boekel-model” inhield werd bekend verondersteld, het was nu tijd om te handelen en de ruzies werden wederom tot later uitgesteld, geheel in de lijn van de aktietraditie: eerst doen, dan praten. De groep die elkaar die donderdagavond in Amsterdam vond, omvatte alle geledingen van de bewegers. Johan: “Je ziet keer op keer dat mensen toch weer bij elkaar komen. Ik denk dat Hans Kok duidelijk maakte dat ondanks alle verschillende stromingen je, als je goed kwaad gemaakt wordt, nog allerlei dingen samen hebt. Het is logisch dat je elkaar opzoekt om de CP te bestrijden. Iedereen was voor zich kwaad om het feit Kedichem en het gevaar dat de CP eventueel in de Kamer zou komen. We hadden allemaal het gevoel dat het van beslissende betekenis kon zijn.” De kleinste gemene deler van de beweging was de reaktie geworden. In de dagen na de dood van Hans Kok was de inschatting dat de plotseling ontstane verzoening tussen de scenes, klubjes en sympathisanten van korte duur zou zijn: “In de branden, de stenen die door de ruiten vliegen, tijdens de serieuze demonstratie, tellen alle verschillen die er tussen ons zijn niet. In onze woede om de moord op Hans vinden we een weekend lang eenheid.” Desondanks blijkt vijf maanden later, aan de vooravond van Kedichem, dat het onderlinge
vertrouwen nog steeds niet is verdwenen. De aktieve vergeetachtigheid, die de basis van verzoening is, vormt een voldoende garantie om nogmaals gezamenlijk aktie te gaan voeren.

Op zaterdagochtend 29 maart verzamelden zich al om 9 uur zo’n 300 aktievoerders uit het hele land in een oud gekraakt ziekenhuis in Utrecht. Omdat niet bekend was waar de CP-vergadering gehouden zou worden, had men voor deze centrale plek gekozen. Wel was bekend dat een aantal CP’ers zouden verzamelen bij het Voetbalstadion van Utrecht. Zij werden heimelijk gevolgd door motorfietsen die regelmatig naar het verzameladres belden om door te geven hoeveel fascisten er onderweg waren en waarheen. Pas in de loop van de middag werd bekend waar de groep bijeen was gekomen. Tijdens de lange uren van het wachten in Utrecht werd door de aanwezigen niet een keer gezamenlijk overlegd wat men nu precies ging doen. Alleen de bijna magische term “het Boekel-model” waarde rond.
“In de zee van tijd en de relatief gemoedelijke sfeer die er in Utrecht was, is veel te gehaast en onduidelijk gezegd wat de bedoeling was”, konkludeert Tineke achteraf. “Angst voor onderlinge tegenstellingen en heftige diskussies zo vlak voor de aktie? Was iedereen sowieso al bezig met de eigen angst over het geweld en de overmacht aan fascisten die we daar aan dachten te treffen? Ik kan mij wel voor mijn kop slaan dat ik ook maar wat heb lopen suffen, terwijl ik vaag in mijn achterhoofd het mistige gevoel had dat er toch van alles niet helemaal klopte.” Kasper, ernaar gevraagd: “In de geruchten in Utrecht werden de fascisten met steeds meer mannen. En we gingen steeds meer bier drinken en halen, want het duurde heel lang. De hele tijd had je je zenuwen. Drie uur lang zaten al die mensen in die gangen te wachten en te drinken en te blowen. En toen gingen we eindelijk op weg.” Johan: “Het feit dat wij op een verzameladres met zo ontzettend veel mensen, te horen krijgen dat daar een stuk of honderd tot de tanden bewapende extreem-rechtse types ons stonden op te wachten, noem ik valse voorlichting. Achteraf ga je heel erg twijfelen, of ze dat fout gezien hebben of dat ze ons bewust hebben lopen opfokken.” In de wachtende massa van Utrecht tekende zich al een onderscheid af tussen degenen die bezig waren hun angst te sublimeren tot een waardige demonstratie en de heffo’s die bezig waren hun woede te ontwikkelen tot een aanvalsroes. Dat de zooi zich totaal niet bemoeide met de organisatie kwam doordat deze zich als uiterst professioneel liet kennen. “De organisatie was van een maffia-achtige, binnenlandse veiligheidsdienst-achtige allure”, aldus Kasper. “Er reden motorfietsen door het hele land, mensen waren aan het volgen, het liep, het zag eruit als een goed geoliede machine. Aan alles was gedacht, dat kon je ze wel meegeven.” Het was een geruststellend gevoel dat de macht gedelegeerd was: in een aktiekultuur die geen organisatie erkent, hebben diegenen de leiding die al van tevoren de praktische verzorging van de details op zich nemen. Zij zullen dan ook bij moeilijkheden achteraf alle schuld toegeschoven krijgen: de massa zal zich altijd onschuldig weten, voor haar telt alleen de fascinatie met zovelen te zijn. Ronald: “Toen ik even broodjes ging halen zag ik dat het in ’t centrum van Utrecht werkelijk wemelde van de mensen met de leren jassen. Het viel gewoon waanzinnig op.” De zekerheid tot een massa te behoren maakt het de individuen mogelijk zich uitsluitend op de eigen emoties te koncentreren, kollektief beslissingen nemen valt daardoor buiten het blikveld.

Om half 3 komt door dat de fascisten zich verzameld hadden in hotel “Cosmopolite” in Kedichem. Ernst: “Ik nam de telefoon aan omdat ik daar toevallig naast stond. Waar? zeg ik nog. Ik heb de naam laten spellen en op een papiertje geschreven.” Omdat het hotel zo klein was dachten de motorfietsen dat het hier ging om een voorverzamel-adres.
Besloten werd daarom dat de aktievoerders zich eerst zouden verzamelen bij het station van het nabij Kedichem gelegen dorp Leerdam. De wachtende massa mocht eindelijk in beweging komen. Barend schrijft hierover: “Er gaat gejuich op als het woord Kedichem valt. Ik dans van plezier. De zaal komt op gang. Naar de busjes. Er wordt geschreeuwd. We moeten nog iets afspreken. Wie is hier de woordvoerder? Verschillende mensen werpen zich op. Een van hen wint het. Hij regelt een autootje dat volgens afspraak even vooruit gaat om de situatie in te schatten. Hij zegt dat er nog een paar dingen moeten gebeuren, zoals het ‘intoetsen van de scannerfrequenties’. Er wordt niet gevraagd naar de betekenis van dat laatste. Ook ikzelf vraag niks maar denk dat het goed zit zo. Dan komt het bericht dat er maar 18 CP’ers binnen zijn. Maar daar wordt niet echt naar geluisterd. Het bericht is daar ook te vaag voor. We zien het wel in Leerdam.” Bijna honderd auto’s en huurbusjes vertrokken toen uit Utrecht. In Leerdam stelde de stoet zich in een lange rij op voor het stationnetje. Vooraan stond de “kommandowagen” van de leiding die vol was gestouwd met scanners om de politie af te luisteren. Daar omheen formeerden zich de heffo-busjes om vooral niets te hoeven missen. Toen een politiewagen langs reed, over de scanner te horen was dat er meer politie onderweg was en uit Kedichem het bericht kwam dat Cosmopolite inderdaad het CP-vergaderadres was, besloten de voorste wagen
onmiddellijk te vertrekken. Tussen de busjes onderling was nauwelijks kontakt geweest, de geografische situatie in Kedichem was aan niemand bekend. Barend: “Opeens moeten we weg. Wie het sein heeft gegeven? Datis onduidelijk. We zien het wel in Kedichem.” In de wachtende massa van Utrecht was zoiets als een bevelsverwachting ontstaan: de
gedwongen apathie van de mensen kon enkel doorbroken worden door het sein te moeten vertrekken, het bevel van de leiders werd als een bevrijding ervaren.

De weg van Leerdam naar Kedichem is 8 km lang. De toeristische ervaring aldaar doet het ‘wij-gevoel’ ontstaan dat bij zo’n uitstapje van “de beweging” hoort. Ronald: “Honderden meters busjes vertrokken, we verstoorden het hele verkeer, letten niet op stoplichten en gingen door dat polderlandschap rijden, een soort rups over die dijken daar.
Het was een waanzinnig mooie route. Je reed daar over zo’n hele smalle dijk langs de rivier de Linge, waar geen tegenliggers je kunnen passeren. Halverwege kwamen we een politieauto tegen die op een parkeerplaats stond en waarin 2 agenten verschrikt door de mobilofoon zaten te babbelen. We gingen niet langs een recht kanaal, maar over een kronkelende dijkweg, zodat je de hele tijd de stoet voor en achter je zag.” Betty: “Het was echt een kolonne, een caravaan.” Hotel Cosmopolite ligt vanuit Leerdam links bovenop de dijk met rechts het dorp Kedichem. Vanaf de dijk gaat een weg naar beneden het dorp in. Na aankomst reden de voorste busjes het hotel langs, bekeken de situatie en parkeerden de auto’s zo dat ze snel weer weg konden, in een andere richting dan waar ze vandaan kwamen. Toen zij al uitstapten waren de achterste busjes nog zeker een kilometer verwijderd van het hotel. Toen deze arriveerden parkeerde de lange stoet zich langs de weg op de dijk en begonnen vanaf daar naar voren te lopen. Er stond een harde wind. De gebeurtenissen voor het hotel voltrokken zich in een razend tempo. Kasper bevond zich in de kopploeg die besloten had tot een direkte konfrontatie met de CP’ers: “Toen we uitstapten hebben we onze bivakmutsen opgedaan, eerst half op, toen helemaal op. We zagen al die auto’s nog aan komen rijden. Allemaal hadden we stokken en nogal veel adrenaline en iedereen rende naar het hotel toe. We wachtten wel een beetje op elkaar zodat we wel met veel kwamen. We waren met een mannetje of 40. Er stond een politieauto voor het hotel.” Ronald: “Die politieauto zei dat wij ons moesten verwijderen ‘of geweld zal worden gebruikt’. Iedereen natuurlijk in een deuk van het lachen: drie-vierhonderd mensen met helmen en knuppels en een politieautootje!”. Een dagblad noteerde uit de mond van een partijganger: “We waren nog geen 10 minuten in Hotel Cosmopolite, toen er 2 agenten binnenkwamen. ‘We hebben een nare mededeling’, zeiden ze, ‘er is een knokploeg van tweehonderd man in aantocht en we kunnen u niet beschermen’. Ze gingen meteen de deur uit en op hetzelfde moment vlogen er al stenen door de ruiten.” Kasper: “We begonnen te schreeuwen: ‘Fascisten, oprotten’ en ‘Vuile fascisten!’. Toen verscheen de eigenaar in de deur en de politie zei ‘Laten we het rustig houden.’ De eigenaar zei dat ze geen fascisten waren en dat we hen met rust moesten laten, hij wou alleen maar rustig een centje verdienen. Maar mensen begonnen meteen te gooien naar de man en te schreeuwen dat hij een fascisten-helper was en dat ie moest oprotten. De ramen werden ingegooid en er gingen allerlei dingen naar binnen, allerlei autonomen om ons heen begonnen te keilen. De politie was toen al weggereden, de dijk op want ze konden het niet houden. Er kwamen steeds meer mensen en het bleef rinkelen en er werd geslagen met knuppels op de ramen. Lege pilsflesjes gaan naar binnen. Er kwamen asbakken om onze oren vliegen vanuit het kafe beneden. We hoorden ook veel gillen binnen, de mensen waren wel bang.” Ernst: “Ik stond nog met Piet door de ramen naar binnen te turen, toen er over ons hoofd heen al stenen en verf door de ramen vlogen.” Ronald: “Je kon niet zien wie er binnen was, de gordijnen waren dicht en het licht was uitgedaan. Je zag alleen maar schimmen. Toen gingen er rookbommen naar binnen.” “Er kwam steeds meer rook uit die voorkant” vervolgt Kasper, “We hadden geen taktiek, alleen maar uitroken. Dus we dachten, dan gooien we toch een rookbom naar binnen, zal ik dat dan maar doen? Maar iedereen wou wel een rookbom naar binnen gooien. Er was denk ik teveel ammunitie. En teveel adrenaline, van een dag wachten, de te lang opgebouwde agressie. Toen bleef er een rookbom in het gordijn hangen, dat zag ik ook.” Ronald: “Als er wordt gesmeten in een rel draagt iedereen z’n steentje bij. Het trottoir ging meteen aan diggelen en de parkeerplaats aan de zijkant ook, daar waren van die handzame kinderhoofdjes. Een rookbom is in het gordijn blijven hangen. Het was waarschijnlijk een oude rookbom waar vocht in is gekomen waardoor ze met een steekvlam ontbranden. Op een gegeven moment werd de witte rook een beetje donkerder en sloegen de vlammen uit het pand.” Ernst: “Ik zag twee rookbommen en een oranje pijp naar binnen gaan. Meteen ging het toen fikken. Piet en ik kijken elkaar aan en zeggen: ‘We moesten maar wegwezen.'” Kasper: “Toen we zagen dat het hotel in brand stond gingen we naar de achterkant. Ik zei tegen mijn begeleider: ‘Laten we even kijken of zij weg kunnen komen, het is toch wel heel heftig.’ Toen zagen we dat niemand eruit kwam, maar ook dat niemand erin kon komen, want we wilden ook nog wel wat fascisten slaan. We schrokken pas toen we merkten dat zij het hotel niet konden verlaten. Ik dacht: achter het hotel is water, daar kun je natuurlijk inspringen, maar toch… Later bleek daar nog wel een uitgang te zijn. Ik maakte me nogal zorgen. Toen ben ik nog helemaal terug gelopen naar de andere zijkant van het hotel of ze daar wegkwamen. In het begin dacht ik alleen maar: als ze wegkomen, kunnen we ze nog even in elkaar rossen. Met die knuppels. Toen we de vlammen al uit de eerste verdieping zagen slaan, dachten we: dat wordt niks, die mensen gaan allemaal dood daarbinnen.”

Barend maakte het als volgt mee: “Alle ruiten liggen er al uit. Je ziet de zaal al vol rook, kijkt naar binnen, achterin lopen nog wat schimmen. Maar het gooien van rookbommen houdt niet op. Zulke kanonnen gaan er naar binnen. In de paniek – of is het enthousiasme? – wil iedereen zijn spullen kwijt. Je denkt: zo is het wel genoeg. Maar je gaat op in de stroom en kunt niks meer uitbrengen. Je schreeuw vervaagt. En dan: witte rook wordt zwarte rook. Opeens knettert er
vuur. Ik ruk mijn helm van mijn hoofd, gooi mijn knuppel weg en begin te rennen: hier wil ik niks meer mee te maken hebben.” Paniek is altijd angst voor de moord: de moord die op jou gepleegd kan worden of de moord die je zelf begaat. De groep aanvallers gedroeg zich als een klassieke hetzemassa. Canetti zegt daarover: “De hetzemassa vormt zich met het oog op een snel bereikbaar doel. Dit is haar bekend en nauwkeurig omlijnd, het is ook dichtbij. Ze is op doden uit en weet wie ze wil doden. Een belangrijke reden voor het snelle aangroeien van de hetzemassa is de ongevaarlijkheid van de handeling. Er is geen enkel gevaar aan verbonden, want de superioriteit aan de kant van de massa is enorm.”
De wachtende massa van Utrecht was niet uit op moord, men was zich aan het voorbereiden op een konfrontatie met schimmen. Hoeveel, hoe sterk, allemaal onduidelijk. Maar toen de voorste groep zich op de Lingedijk formeerde, had ze nog maar oog voor ÇÇn doel: “In de auto hadden we het de hele tijd al gehad over fascistische knokploegen, die hadden we verwacht. Daarom waren we allemaal heel erg opgefokt en we wilden de fascisten raken. Iedereen was in the mood for killing. Er was alleen niemand om mee te knokken, niemand liet zich zien.” (Kasper). Toen ze dicht bij het hotel kwamen (en ze parkeerden hun auto’s ook zo dicht mogelijk bij het gebouw), en men in een grote meerderheid bleek te zijn, was er geen enkele rem meer waarom de groep zich niet zou omvormen tot hetzemassa. De mensen hadden zich wel gekoncentreerd op hun individuele angst te worden geslagen en hun verlangen terug te slaan, maar niet op de kollektieve ervaring die hen te wachten stond. Terwijl ze zelf als reâle massa in de aanval zouden gaan, draaide hun gedachten rond de imaginaire massa die hen stond op te wachten. Met leren jassen en helmen hadden ze het lichaam beschermd, maar onbeschermd gingen ze de massa in die ze zelf zouden vormen. Alle bij eerdere akties opgedane massa-ervaringen waren vergeten. Voor de groep op de dijk bestond geen gevaar, ze bleek veel sterker dan wat ze aanviel. Het gevaar school in de massa zelf, als individuen schrokken ze plotseling terug voor de daad die de massa pleegde. De massa was eerst nog onschuldig, een witte massa. Toen de rook zwart werd, kwam de omslag: de schuld verspreidde zich over de massa, zij werd zwart. Die schuld was de paniek: het besef verantwoordelijk te zijn voor de moord maakte van de massa een groep individuen die alleen maar weg wilden komen van de plaats des onheils. En zij konden ook wegkomen, want hun auto’s waren vrij en binnen handbereik. Zij ontkwamen dan ook allemaal, als individuen. Ernst: “Ik kon mijn busje niet terugvinden omdat ze allemaal bij dezelfde firma waren gehuurd en mijn chauffeur zo snugger was geweest een bivakmuts op te zetten. Toen werd ik zomaar een busje in getrokken en weg waren we.” Kasper: “We wilden het vege lijf redden, handschoenen gooiden we weg, mutsen af en terug naar de auto. De andere mensen heb ik niet meer gezien toen. We hoorden allemaal sirenes en de politieauto kwam weer langs en probeerde op ons in te rijden, maar toen gooiden mensen stenen in de richting van het vehikel. In de auto hebben we onze zwarte kleren uitgedaan, dat was al te opvallend en toen meteen de radio aan om te luisteren. Zo zijn we naar huis geraced. Iedere keer dat er weer een afslag bijkwam voelde ik me meer gerust, want we maakten ons ontzettend zorgen. Ik tenminste, over wat er met die mensen in het pand was gebeurd, baby’s dacht ik aan die boven lagen te slapen in het hotel.”

Voor de groep die achter de aanvalsgroep kwam, de demonstranten, zag de zaak er heel anders uit. Harry: “We waren verdwaald onderweg. Toen we in Kedichem aankwamen, hebben we de bus in het dorp geparkeerd en zijn de dijk opgeklommen. Ik loop in de richting van het hotel. Dat begint steeds harder te roken, hoe verder je kwam hoe meer rook. Dat is van een afstand wel een mooi gezicht hoor. Maar ik had geen idee wat daar gaande was. Ik had gedacht dat het een of andere bezetting zou worden, dat je naar binnen gaat en die CP’ers ontmaskert. We kwamen eigenlijk veel te laat voor de aktie. Toen de vlammen er aan alle kanten uitsloegen klonk er ‘Terug naar de auto’s!’. Ik liep nog naar voren terwijl anderen al naar achteren renden. Mensen riepen ‘Rustig aan, rustig aan!’.” Betty: “Ik zat midden in de autostoet. Ik had het idee dat het een demonstratie was. Op een gegeven moment stopten we en liepen naar het hotel. Toen hoorde ik allemaal glasgerinkel, ik zag rook enzo. Maar ik ben niet dichtbij geweest. Plotseling begon iedereen terug te rennen: wegwezen! Ik zag nog een smerisauto kriskras door alles heenrijden, die wist ook niet wat hij deed. Terug bij de auto hebben we eerst gewacht tot de anderen er ook waren. Op de dijk keerde de auto toen om, dat ging heel chaotisch. Alle auto’s reden dwars door elkaar, je kon helemaal niet wegkomen. Het was wel heavy, in de verte zag je al die rookwolken, is wel mooi hoor. Ik dacht, je komt hier nooit weg op die dijk, er waren geen zijwegen. Terug vond ik stom, rechtdoor was slimmer, maar bijna iedereen keerde om.” De demonstranten die de hele dag hadden zitten wachten werden aanvankelijk sterk aangetrokken door het vuur waarvoor de aanvallers op de vlucht waren gegaan. Zij waren nog niet als massa tot ontlading gekomen, ze hadden nog niet dat punt bereikt waarop ieder individu in de massa zich de gelijke voelt van alle anderen. Toen ze voortijdig te horen kregen dat voor hen het feest niet door zou gaan, moesten zij zich omkeren, maar formeerden zij zich, tegen ieder gezond verstand in, tot een vluchtmassa die per definitie het vuur in de rug heeft. Alleen als vluchtmassa hadden ze nog de mogelijkheid om de begeerde ontlading te ervaren. Ook was het zo, dat het formeren van een vluchtmassa voor hen de enige mogelijkheid was om een paniek te bezweren waar ze deel van waren, maar die ze niet begrepen. En met die paniek hadden ze te maken (al wisten ze niets van een moord): “De aanrollende golf die het gebouw dreigde te verpletteren, keert opeens om. Op de dijk is het een wirwar van busjes die proberen te keren.  Mensen staan te gebaren en te schreeuwen. Twee busjes botsen tegen elkaar. Een busje dat nog leeg is zegt tegen twee vluchtenden dat ze naar hun eigen busje moeten zoeken: jullie horen hier niet. Inmiddels zijn een aantal dorpsbewoners opgehouden met staren: ze komen in beweging en gaan op mensen van ons af. Een paar van ons krijgen rake klappen, maar er wordt niet gereageerd: het is ieder voor zich.” (Barend). Maar niet alleen de paniek bepaalde het gedrag van de vluchtende demonstranten. Harry: “Onze auto wilde niet starten, dat ook al niet. Wij die auto aanduwen. We werden ondertussen lastig gevallen door gasten uit het dorp die aanstekers bij de benzinetank gingen houden. Ze riepen: ‘Wat hebben jullie gedaan! In de fik gestoken!’. En dat terwijl wij als laatste daar aan waren gekomen. Het was ook maar een slag in de ruimte dat wij dat gedaan hadden.” Het feit dat de luchtmassa zich niet schuldig voelde voor het vuur waarvoor ze moest maken dat ze weg was, werd haar fataal: het leidde tot een wederkeer van de inertie die de wachtende massa in Utrecht had verdoofd. Na het chaotische keren reed de stoet auto’s terug richting Leerdam. Maar “op een gegeven moment kwam een smeris die dwars over de weg ging staan, we moesten allemaal stoppen. Niemand wist wat er aan de hand was. Er stonden nog een heleboel auto’s voor ons. Toen gingen we maar allemaal uitstappen. We hebben daar toen wel een uur gestaan. Van voor en achter waren we ingesloten. Als je wilde kon je nog wel weglopen de weilanden in, maar ik dacht, we zitten hier in the middle of nowhere.” (Betty) Alle mensen uit de auto’s werden gearresteerd en in een arrestantenbus naar Leerdam afgevoerd. Verzet was er niet. De busjes bleven achter op de dijk en werden later door de politie weggesleept naar de binnenplaats van het buro te Leerdam. Een iemand die in het riet langs de rivier was weggekropen en daar tot 9 uur ’s avonds was blijven zitten, wist weg te komen door zich aan te sluiten bij een groepje Turkse jongens die op de dijk liepen te voetballen. Alle anderen die het station van Leerdam wisten te bereiken werden daar op aanwijzing van dorpsbewoners uit Kedichem gearresteerd. Harry werd al in Kedichem zelf opgepakt: “We renden achter de auto die we aanduwden, de politie komt de dijk af. Op het moment dat de smeris 2 meter van ons af is slaat die motor aan. De smeris pakt ons en die buurtbewoners die zich ermee bemoeiden pakken ook nog iemand. Het was wel geinig: die auto
reed weg en wij waren gepakt als eerste.” De politiewagen waarin ze met z’n drieân geboeid werden opgesloten, blokkeerde de dijk toen de brandweer kwam. De auto moest naar de kant worden geduwd, waardoor de brandweer minuten later bij het hotel arriveerde dat toen al in lichterlaaie stond. Over de politieradio hoorden ze dat van een vrouw een been geamputeerd zou moeten worden, van wie werd niet verteld. Het kamerlid voor de CP Janmaat, die de vergadering belegd had, vertelde over het been aan een periodiek: “Ik vluchtte met mijn sekretaresse, mevr. Corselius-Schuurman, en een aantal anderen naar boven. Uit het raam zagen we de vlammen al, en onze mensen die 5 meter lager naar buiten vluchtten. Binnen 3 minuten stond alles in brand, de trap ook. We hebben lakens aan elkaar geknoopt. Ik klom daarlangs als eerste naar buiten, om te kijken of het ging. De lakens waren te kort, ik moest springen. Na mij kwam mijn sekretaresse. Maar zij slingerde aan die lakens dwars door een grote ruit en smakte op de grond. Ze bloedde vreselijk, ik heb nog geprobeerd te helpen maar later moest haar been worden geamputeerd. Vreselijk, een ramp. Ik zal in ditzelfde pak dat onder het bloed zit, in de Tweede Kamer vragen stellen: waarom werden onze mensen niet beschermd tegen dat schorum?” Voor de arrestanten, waarvan de meesten 4 dagen zouden zitten en waarvan uiteindelijk slechts enkelen veroordeeld zouden worden tot 3 maanden gevangenistraf, was het niet mogelijk hun kleding aan te houden: nadat ze eerst al hun helmen en mutsen hadden weggegooid, werd hen op het politieburo te Leerdam ook al hun andere kledij ontnomen voor laboratorium-onderzoek naar bezinesporen. Harry zou zelfs zijn kleding niet meer terug krijgen, hij eindigde 10 dagen later in zijn onderbroek op straat in Dordrecht. Allen die uiteindelijk niet veroordeeld zouden worden, kregen een vergoeding van fl. 150,- per dag toegewezen, met voor de eerste twee dagen fl 200,- per dag. Dat kon oplopen tot een bedrag van fl 4000,-. De groep aanvallers keerde ongedeerd terug op de thuisbasis: “Met de groep zijn we naar het kraakkafe teruggereden. We zijn geen politie tegengekomen en we hadden ook geen pilsjes meer. Terug in het kafe hoorden we dat er niemand dood was, dat er een vrouw was gewond en daar moesten we hard om lachen. We hoorden ook van de 72 arrestanten en dat vonden we allemaal heel shit.” (Kasper) De aanvalsgroep kwam thuis direkt over de paniek heen: de moord was niet op mensen
gepleegd, maar op een been. De opluchting daarover uitte zich in geschater. Ronald, die was teruggekeerd naar een ander kraakkafe: “Wij hebben het half-zesjournaal aangezet en toen hoorden we pas dat er zoveel arrestanten en een aantal zwaar gewonden waren. Pas toen kwam de echte domper. Maar ja, je zit wel te diskussiâren of het nou zo’n
slimme aktie was, maar het was wel onwijs kicken om zo’n hotel te zien affikken.” Op datzelfde moment kwam er een persverklaring in het nieuws van de “Radikale Anti-Fascisten” (RAF), die suggereren dat zij dat de zaak hebben georganiseerd. De zinsnede hieruit “dat de gebeurtenissen in Kedichem voor herhaling vatbaar zijn” werd ogenblikkelijk en door iedereen verbonden met Het Been. De interpretatie was dus, dat men niet zou terugschrikken opnieuw zwaargewonden te maken bij de strijd tegen het fascisme. Het schokkende aan deze verklaring was dat de
‘organisatoren’ niet terugschrokken voor het erkennen van ‘de moord’ en daarmee suggereerden dat zij de paniek vooraf gepland hadden. En dat terwijl het gros van de aktievoerders, eenmaal thuis, zich nu juist inspanden om door het napraten over effekt en strategie, de paniek van de aktie in zichzelf te elimineren. Ronald dook direkt de politiek in, eerst bij het organiseren van advokaten voor de arrestanten en een dag later in persgroep die gevormd werd “omdat iedereen de verklaring van de RAF niet zag zitten. Na die persverklaring hebben we die top, de organisatoren niet meer gezien. We wilden proberen te redden wat er te redden viel.” Het eerste doel van de persgroep was om Het Been, dat een eigen leven was gaan leiden in de media, uit de aandacht te halen. “Op een aktualiteitenrubriek was gelijk een interview met dat mens, in bed, zonder been. En die hoteleigenaar ging ook vreselijk tekeer. Ons doel was uit te leggen dat het niet de bedoeling was geweest dat een been geamputeerd moest worden. Daarnaast wilden we onze eigen argumenten naar buiten brengen waarom we die aktie gedaan hadden en subtiel daarin verwerken dat we kritiek hadden op hoe het gegaan was.” Ook de persgroep gaf een verklaring uit, ondertekend met “De aktievoerders van 29 maart” waarin stond: “We hebben de fascisten letterlijk uitgerookt. Dat hotel Cosmopolite daarbij in vlammen opging, was geen opzet. Als er ook niet-fascisten zouden zijn verwond, betreuren wij dat.” En zo werd de kick en de paniek uit het Kedichem-verhaal weggeschreven. Maar terwijl in het verhaal voor de grote media geen paniek meer voorkwam, werd er in de eigen media expliciet een schuldige voor aangewezen. Die was snel gevonden, want de RAF had zelf al geklaimd dat zij de paniek in de planning hadden opgenomen. Barend schrijft over de woordvoerder van de RAF: “Ik vind hem een ontzettende smeerlap. Maar ik wil hem niet als enige schuldige aanwijzen. Tenslotte zijn we ook samen verantwoordelijk.” En hij vervolgt over de RAF: “Het zijn mensen die met een heel klein groepje beslissen dat Nederland rijp is voor terreuraanslagen, maar te laf zijn om ze zelf uit te voeren. Mensen die over de ruggen van anderen terroristje aan het spelen zijn, mogen van mij worden afgebrand.” Maar, besluit hij: “Wij hebben veel belangrijkere dingen aan ons hoofd. We zullen moeten leren met elkaar te diskussiâren en te organiseren, want anders wordt de beweging straks weer geregeerd door geniale gekken.” In de analyse die Barend geeft van de verhouding tussen individu en massa, wordt het individu onschuldig verklaard aan de daden van de massa. Hij ziet de massa van Utrecht en Kedichem als slachtoffer van degenen die wel wisten hoe massa’s reageren en hoe ze te dirigeren zijn. Om het optreden van dit soort kwade leiders te voorkomen, stelt hij voor een eigen, goede massa te formeren, die door diskussie en demokratie in staat is om slinkse leiders te weerstaan. Het zoeken naar een paniekvrije aktievorm roept het verlangen op naar een organisatie van massale akties waarin onvoorziene toestanden kunnen worden uitgesloten. De disciplinering van de aktievoerder die hiervoor nodig is, was evenwel radikaal in tegenspraak met de in ’86 nog gekoesterde regel dat alleen akties die spontaan, chaotisch en zonder starre organisatievorm worden gedaan, tot de meest bizarre en aanstekelijke inbraken en overvallen leiden, zonder daarbij in terrorisme te vervallen. Overigens spreekt uit Barend’s typering “geniale gekken” wel degelijk respekt voor deze leiders. Maar de vraag waarom de massa van Utrecht de macht aan hen heeft gedelegeerd, stelt hij niet. Waarom lieten zij zich verleiden tot inertie? En waarom liet de aanvalsgroep zich zo opfokken dat zij tot moord bereid waren? Barend omzeilt deze vragen door direkt over “het perspektief van de beweging” te gaan praten; aangezien hij niet in staat is om in andere dan organisatorische
termen een eigen massa voor te toveren, komt hij niet verder dan het opnieuw taboe verklaren van de paniek.

Juist het feit dat de aktievoerders in Kedichem in paniek raakten, bewijst dat zijzelf geen fascistische horde waren. Er bestaat geen paniek in het fascisme. Fascistische knokploegen of ambtenaren schrokken nooit terug voor een moord. Het plannen van de paniek door de kopgroep was ingegeven door de inschatting dat zij daardoor zelf snel zouden kunnen wegkomen. Dat zou hen het verwijt kunnen opleveren dat zij een terroristische inslag hebben, welk verwijt Barend hen dan ook maakte. Maar terroristen hebben een massa helemaal niet nodig om te kunnen opereren, dat begrip werd enkel ingebracht om deze groep een volgende keer te kunnen uitsluiten. Het enige dat de organisatoren verweten kon worden, was dat zij kennis bezaten over wat massa’s zijn en hoe zij funktioneren, en die kennis ook toepasten nadat zij van begin af aan de organisatie in handen hadden genomen. Het dilemma van Barend was dat, wanneer men de aktietraditie van de jaren ’80 aksepteerde, het onmogelijk was om groepen uit te sluiten bij akties: dat is alleen mogelijk binnen een kontinue organisatie die bereid is ordediensten en mentaliteitspolitie in te stellen. Een
beweging die niet wil verdwijnen, ziet zichzelf op een gegeven moment onvermijdelijk verplicht op te gaan in zo’n vereniging. Al degenen die zich, met of zonder heimelijke binnenpret, distantiâerden van de RAF en daarmee vasthielden aan de eigen story van het massale aktievoeren als spontaan en chaotisch gebeuren binnen een ongeorganiseerde struktuur, ontzegden zich de mogelijkheid om hun strategische aktiekennis in te vullen met inzichten over hoe massa’s funktioneren. Maar juist daardoor bleven ze in staat ook bij volgende gelegenheden onbeschermd” in een massa-ervaring terecht te komen. Aktieve vergeetachtigheid is het aura dat de radikale naãviteit voor alle gevaren behoedt.

De zonen van de eigenaar van hotel Cosmopolite verklaarden achteraf aan een krant: “Twee jaar geleden hebben we ook al een brand gehad in onze zaak voor woninginrichting in Leerdam. Die is nu bijna weer klaar. We zijn bezig met het laatste gedeelte. We dachten het dan wat rustiger aan te kunnen doen. Maar dat wordt je niet gegund door die brand in Kedichem. Dat komt nu heel rauw op je dak. Voor mijn broer en mij is het alleen maar een materiâle schade van 2 ton. Voor mijn vader grijpt dit veel dieper. Hij voelt het als een aanslag op zijn leven.” Twee maanden na deze aanslag in het paasweekend van de 29ste maart vond de beweging in de zaak Kedichem z’n afsluiting: “De 62-jarige igenaar P. In den Eng had volgens de politie een tweedehands laadschop aangeschaft om zelf de sloop van hotel Cosmopolite ter hand te nemen. Al eerder was de voorgevel wegens instortingsgevaar door de gemeente neergehaald, en de eigenaar wilde zaterdag in z’n eentje de restanten verwijderen. Omdat de sloopmachine niet wilde starten, had
hij tussen het rechter voor- en achterwiel een trapje gezet met een losse akku, waarvan hij de draden met de startmotor binnenin de laadbak moest verbinden. Direkt nadat de verbinding tot stand was gebracht, zette de zware laadschop – waarvan de laadbak wel een paar ton kan houden – zich onverwacht in beweging. In den Eng, die zijn weg oor het trapje versperd zag, kon geen kant op en werd in zijn volle lengte overreden. Hij was op slag dood. De machine stak, een dranghek meesleurend, de dijk over, boorde een ijzeren staaf dwars door een ruit aan de overkant en kwam toen dankzij een veiligheidssysteem tot stilstand.”

Bron: http://www.thing.desk.nl/bilwet/bilwet/Bewegingsleer/6

Antifascisme is geen mening, maar een misdaad!

22/07/2009

Ik_haat_antifascisten!

Extreem-linkse Doorbraak “vergeet” het Arabisch slavernijverleden

28/06/2009

De links-zanikende organisatie Doorbraak heeft weer eens een oud thema van stal gehaald, het vermeende slavernijverleden van Nederland. 1 juli is de datum van het jaarlijkse herdenking van dit leed dat niemand op deze aardbol zich nog uit eigen ervaring kan herinneren, behoudens slaven die nog worden gehouden op het Arabisch schiereiland. De voorvechters van deze anti-slavernij”beweging” in Nederland bestaan voornamelijk uit verzuurde Surinamers en Antillianen aangevuld door wat djimmi’s uit de linkse hoek. Terwijl de immigranten uit Afrika met alle mogelijke middelen trachten Europa te bereiken, neemt links het de blanken kwalijk dat ze reeds honderden (!) jaren geleden kansarme Afrikanen de mogelijkheid boden om in Amerika aan het werk te gaan. Terwijl de opbrengsten van de slavernijhandel verdeeld werden over slechts enkele families, houdt Doorbraak alle blanke Nederlanders verantwoordelijk voor de slavenhandel. Dit maar liefst bijna 200 jaar naar de officiële datum van het afschaffen van de slavernij.

Doorbraak “vergeet” overigens dat Europeanen niet de enige volkeren waren die zich met de slavernijhandel inlieten. De Arabische slavenhandel strekt zich bijvoorbeeld uit van de zesde eeuw voor onze jaartelling tot de twintigste eeuw. Het aantal verhandelde slaven bedraagt ongeveer 20 miljoen. En daarmee schiet het Europa voorbij. De Arabieren lieten echter, in tegenstelling tot de Europeanen, geen gezinsvorming toe en dreven daarmee een vorm van uitroeiingspolitiek. De islamitisch-Arabische slavenhouders beperkte zicht evenmin tot louter Afrikanen. Ook blanke christelijke mensen werden tot slaaf gemaakt. Voor alle duidelijkheid, de geschiedschrijvers dichtten de Nederlandse slavenhandel een percentage van 5% toe op de totale (Europese!) slavenhandel. Ondanks dit zeer geringe percentage op de Europese handel en zeker gezien op de totale handel is Doorbraak van mening dat de huidige blanken moeten boeten voor de handel van enkele families honderden jaren geleden. Een dergelijk standpunt is exemplarisch voor het gebrek aan linkse ideeën. Doorbraak is niet de enige club die wegens gebrek aan inspiratie gaat zoeken in het verleden om maar iets van een thema te vinden om actie te voeren. Wellicht kan voorvechter “Harry Westelink” eens aan het werk gaan of een kraakpand gaan renoveren in plaats zich bezig te houden met archaïsche thematiek.

Op 1 juli is er een slavernijherdenking in Amsterdam, uiteraard bijgewoond door de Amsterdamse burgemeester job Cohen. Een burgemeester die geen moment onbetuigd laat om op de knieën te gaan voor wat voor cultuur dan ook in Amsterdam. De herdenking vangt aan met een optocht vanaf dierentuin Artis naar het “nationaal monument van het Nederlandse slavernijverleden” in het Oosterpark in Amsterdam. Doorbraak grijpt dan ook de kans om deze bijeenkomst te koppelen aan tal van anderen: ” Een emancipatorische herdenking die zich richt op het verzet van de slaven zelf, biedt anti-racisten een goede mogelijkheid om de strijd van toen te koppelen aan de strijd van nu, de strijd tegen racisme, tegen neo-kolonialisme, tegen de paternalistische en disciplinerende inburgeringsplicht, tegen de vernederende 100 procent-controles van Surinamers op vlieghaven Schiphol, tegen de toenemende criminalisering van Antillianen.”. Tja..

De clowneske stek van Robbie van Herwerden

23/06/2009

De hetze tegen Geert Wilders en zijn Partij voor de Vrijheid (PVV) begint steeds grotere vormen aan te nemen. Extreem-links heeft een nieuwe stek in de lucht gebracht, te weten: geenwilders.nl. Het clowneske karakter druipt ervan af. Bij gebrek aan actiemiddelen en activisten grijpt links tegenwoordig steeds vaker naar het middel van het inzetten van clowns. Iets wat inmiddels enigszins triest aandoet. Links staat blijkbaar machteloos tegenover de redelijkheid van Geert Wilders en heeft geen intellectueel antwoord op de woede van het volk.

In een exoneratieclausule stelt de webpagina: “Deze website is op geen enkele manier bedoeld om instanties of individuen te beledigen. Deze site omarmd de vrijheid van meningsuiting! GeenWilders.nl is geen organisatie.” Klaarblijkelijk is men “bang” dat Geert Wilders hetzelfde lot ondergaat als Pim Fortuyn en wil men voorkomen dat men van demoniseren wordt beschuldigd. Geenwilders.nl is op zich geen organisatie, maar de mensen erachter wel. De webstek staat op naam van G. Wilders (grappig..gaaap). Het adres waarop de stek is ingeschreven staat op naam van de nog jeugdige Robbie van Herwerden (1988). Zij was actief voor het extreem-linkse splinterpartijtje Axielijst. Deze lokale partij zetelde van 2006 tot mei 2008 in de gemeenteraad van Haarlem. Toen werd het enige gemeenteraadslid door de leden geroyeerd. Iets wat niet ongebruikelijk is in het door ruzies en twisten verscheurde extreem-linkse kamp.  Saillant detail is dat het congres van 2006 van de Haarlemse Axielijst werd gehouden in de winkel waar ze samen met haar moeder werkt.

...begeeft zich in extreem-linkse kringen...

...begeeft zich in extreem-linkse kringen...

De uit Beverwijk afkomstige Robbie begeeft zich in extreem-linkse kringen waar geweld en intimidatie niet wordt geschuwd. De verwijzingen op de webstek van de Axielijst verwijzen onder andere naar het extremistenforum Indymedia, naar het Krakersforum en naar Ravage Digitaal. Allen pagina’s waar met enige regelmaat extreem-links geweld wordt goedgepraat. Zo is de VMBO-er Robbie van Herwerden zelf actief geweest voor Nederland bekent Kleur. Het zwaar gesubsidieerde clubje van de extremist Rene Danen.

Opmerkelijk is dat de stek geenwilders.nl een dag na de overdracht van haar koopwoning in de lucht is gebracht. Blijkbaar had ze hiervoor eerder niet de mogelijkheid. Bronnen dichtbij vertellen overigens dat Van Herwerden niet echt tevreden is over de pagina. Niet helemaal onbegrijpelijk gezien de taalfouten.

Een anti-Wilderspagina welke al eerder werd gelanceerd is de pagina wildersluitookjouuit.nl. Deze pagina staat geregistreerd op de postbus van AFA-Nijmegen. De contactpersoon is Sven Driessen (AFA/AAGU), beter bekend onder zijn artiestennaam Tim Vlaarbeek. AFA-Nijmegen wordt samen met de Amsterdamse afdeling gerekend tot de meest gewelddadige AFA-groep van Nederland. Met de komst van een nieuwe generatie jongeren lijkt er de laatste tijd weer wat leven in de brouwerij te komen aan het antifascistisch front. Sven is in een half jaar tijd opgeklommen tot een van de voormannen van AFA-Nederland. Hij leidde een aantal acties en de pagina van AFA-Nijmegen is voor het eerst sinds de moord op Louis Sévèke door iemand uit eigen gelederen, Marcel Tega, weer vernieuwd. Sven Driessen viel tijdens de AFA-tegendemonstratie tegen de Voorpostdemo op 1 maart op door vooraf over geweldloze actie te spreken, waarna vervolgens de AFA-horden uiterst gewelddadig huishielden langs de kaden van Maastricht.

De ondraaglijke lichtheid van het zgn. antifascistisch discours

02/04/2009

Door Peter LOGGHE

Voor De Standaard der Letteren van 7 augustus 2003 vat G. Van den Berghe het boek van Peter Godman over de katholieke inquisitie samen, en heeft het daarin in volgende bewoordingen over de heren inquisitoren : “Daaruit blijkt dat in zijn ogen de wereld werd beheerst door de strijd tussen goed en kwaad, en dat de Kerk en haar vertegenwoordigers die twee polen feilloos van elkaar konden onderscheiden. De kerkelijke elite voelde zich hoog verheven boven de “eenvoudigen en ongeletterden” (simplices et idiotae), die ze moesten leiden, onderrichten en behoeden voor foute interpretaties van de bijbel”. En verder : “(Ze) zagen het katholicisme als een belegerde vesting die ze uit alle macht moesten verdedigen. De waarheid was één en ondeelbaar, en werd vastgelegd door de Kerk. Alles wat daarvan afweek was ketterij, verraad aan God, majesteitsschennis”. En tenslotte : “De congregatie werkte ongecoördineerd en chaotisch. Het ene lid verbood wat het andere gedoogde. Enkelen bezaten de geestelijke souplesse en intellectuele scherpte om subtiele overwegingen te maken maar de meesten konden alleen de hakbijl hanteren”.

Godman, die Van den Berghe bespreekt, heeft het, zoals gezegd, over de inquisitie. Nu is het allang bon ton om in de katholieke pers de katholieke inquisitie te veroordelen, enige moed is hiertoe niet meer vereist, onze kranten lopen daarmee geen enkel risico, integendeel, vanuit bepaalde vrijzinnige hoek kunnen ze zelfs handgeklap en schouderklopjes ontvangen. Maar het vergt véél meer moed om dezelfde toon aan te slaan tegen de zgn. antifascistische inquisitie. Want, geachte lezers, vervangt u de woorden “God” door “Marx”, “Kerk” door “het stalinistisch communisme”, “ketters” door “fascisten”, en “(ze)” en “kerkelijke elite” door de “antifascisten” en u leest deze tekst als een treffende beschrijving van het zgn. antifascistisch kamp. In België, in Nederland, Duitsland, Frankrijk, in gans Europa.

De tactiek van het zgn. antifascistisch kamp is heel duidelijk : alles wat afwijkt van het dogmatisch marxisme wordt – in een geleidelijk proces weliswaar – gelijkgeschakeld met het verfoeilijke “fascisme”, te beginnen met wat men gespierd rechts zou kunnen noemen en eindigend bij allerlei rechtsliberale en conservatief-christelijke groepjes en clubjes. Althans, voor zover men hen hun gangen laat gaan. . De methoden zijn gekend : criminalisering, stigmatisering van andersdenkenden. Niet alleen de politieke en culturele uitingen van “andersdenken” moeten worden verboden, maar zelfs de gedachten, zelfs het politiek denken moet worden gestroomlijnd, zodat afwijkingen van de zuivere leer zelfs niet meer kunnen worden gedacht. Hier is al een tijdje aan de gang, wat ook in Duitsland – en dan vooral in het Bundesland Nordrhein-Westpfalen – met het begrip “nieuw rechts” aan de gang is. “Fascisme, zoals nieuw rechts, schrijft Dieter Stein in de uitgave 30 (van 3 tot 18 juli) van 2003 van het conservatieve weekblad Junge Freiheit, is een kauwgom, waar letterlijk alles kan worden ondergebracht, wat ook maar enigszins bedreigend voor de ingenomen machtspositie kan zijn”. Hij denkt dan aan “de inzichten van Amerikaanse communautaristen over sociale verbanden, de ideeën van de Britse adel over de Franse revolutie, Franse Gaullisten die nadenken over soevereiniteit en Deense rechtse liberalen over het migratieprobleem”. Wij kunnen hieraan toevoegen : De inzichten van Vlaams-nationalisten over Vlaamse onafhankelijkheid en hoe die te behalen op korte of middellange termijn. Dit alles vatten de heren zgn. antifascisten allemaal onder de hoed “rechts-extreem”, dus fascistisch en moet bestreden of verboden worden. De bedoeling is voor hoofdredacteur Stein duidelijk : rechtsintellectuele en conservatieve stromingen het etiket “rechts-extreem” opkleven, zodat men de gedachten kan verbieden, zonder de feitelijke discussie te moeten aangaan. Een zeer comfortabele positie : zo kunnen ze elk debat weigeren, want het gaat toch maar om “fascisten”.

Mark Grammens schrijft in Journaal nr. 341 van 17 mei 2001 kort, bondig maar daarom niet minder correct : “Men kan in een democratie geen mensen diskwalificeren omdat ze andere ideeën aanhangen”. Het gedachtemisdrijf is in wezen een kenmerk van totalitaire regimes, en hoort dus niet thuis in een echte democratie. Maar wat is er aan democratie overgebleven als bepaalde prominente leden van de zgn. progressieve pers – let wel : zonder dat ze hierop door andere weldenkenden worden aangesproken – kunnen schrijven : “De kiezer heeft altijd gelijk, luidt een mooi democratisch axioma, ik ben het daar niet langer mee eens” (Yves Desmet in De Morgen van 14 oktober 2000) ? Dit lijkt toch wel op een eerste aardige paradox in het zgn. antifascistisch discours : het aanwenden van fascistische methoden om een zgn. antifascistisch, maar in wezen totalitair regime te vestigen. De kaste van hogepriesters is al gewijd, nu alleen nog het volk vinden om de kerk te vullen. En dan is de vergelijking tussen zgn. antifascisten en de inquisitie toch al zo moeilijk niet meer, of vergis ik mij ?

Waar komt dit antifascisme vandaan ? Als je onderzoekt wie allemaal met dit scheldwoord wordt belaagd, Britse conservatieven, Vlaamse separatisten, Deense antifiscalisten, dan kan je niet om deze tweede paradox van het zgn. antifascistisch discours heen : het is een inhoudsloos woord geworden. En de geschiedenis van het zgn. antifascisme schetst dezelfde, gewaardeerde Mark Grammens in zijn Journaal als volgt in (pag. 2779) : “Ervan uitgaande dat het fascisme van alle Europese diktaturen uit de eerste helft van de 20e eeuw waarschijnlijk de zachtaardigste was – en zelfs, samen met de diktatuur van Franco in Spanje, niet eens racistisch – vanwaar komt dan de omzetting van het begrip “fascisme” in een scheldwoord ? Dit is het gevolg van weer zo’n taboe in onze geschiedschrijving, namelijk het door Stalin via de Komintern aan zijn volgelingen in de wereld in de dertiger jaren gegeven bevel om hun pijlen niet te richten op het nationaal-socialisme, maar wel het “fascisme” tot enige en absolute vijand te maken. Was de reden hiervoor dat Stalin reeds met de gedachte van een bondgenootschap met het nationaal-socialisme speelde (het Ribbentrop-Molotov pakt van 1939) ? Neen, volgens de beschikbare gegevens was het alleen maar zijn vermoedelijk wel terechte vrees dat “nationaal-socialisme” door de opinie beschouwd kon worden als “socialisme” en dat aanvallen op dat regime dus onrechtstreeks en wellicht ten dele onbewust zijn socialisme konden benadelen. “Fascisme”, hoewel eveneens voortgekomen uit het socialisme, bevatte voor het dom gehouden volk die samenhang niet. Wie dus vandaag zijn tegenstander “fascist” noemt, terwijl die tegenstander geen Italiaan is, geen voorstander van een “corporatistische” staat, en geen andere specifieke denkbeelden van het fascisme aanhangt, – misschien zelfs, in tegenstelling tot de echte fascisten, racistisch is – is in wezen een stalinist : hij voert postuum de bevelen van Stalin uit.”

Natuurlijk moet men ook de slotformulering van Mark Grammens die het gebruik van het scheldwoord “fascisme” in de Vlaams-Belgische politiek een absurditeit noemt, volledig onderschrijven. Vermeende racisten als “fascisten” uitspuwen is stupied, lachwekkend wordt het als men Vlaamse separatisten eveneens met het scheldwoord “fascisten” bedenkt. Vlaamse separatisten streven naar het uiteenvallen van België, en Italiaanse fascisten streefden juist het tegenovergestelde na. In dit verband kan men het scheldwoord “fascisme” het best toepassen op de Groenen van Agalev en Ecolo en op de gehele Belgische intelligentsia die de lof en grootheid van het Belgische vaderland bezingt.

U heeft het al begrepen, lezer, fascisme is een scheldwoord geworden. In België dient dit scheldwoord als cement, als bindmiddel in een toch wel zeer vreemde coalitie van zeer tegenstrijdige krachten, maar die één zaak gemeen hebben : het heropleven en het voortbestaan van het Nederlands volksdeel, dat men Vlaanderen heet, bestrijden. Dit andere Vlaanderen bezit een oud vrijbuitersmentaliteit, is koppig en wil niet weten van allerlei opgelegde dogma’s. Des te erger voor dit Vlaanderen!

Maar we moeten onze blik niet eens verengen tot Vlaanderen om dezelfde strategie, dezelfde tactiek waar te nemen om elke conservatief, elke identitaire stroming te criminaliseren en te stigmatiseren. Dit is een Europese strategie. En dan is het verdraaid nuttig naar Europese figuren te kunnen verwijzen, die het voorgekauwde dogmatisch-marxistisch schema door elkaar hebben gehaald. Ik roep graag enkele getuigen à décharge op, figuren van Europees niveau. Zij hebben het zgn. antifascistisch spelletje grondig dooreen gehaald, en het past daarom even bij hen stil te staan.

EERSTE GETUIGE à décharge : Armin Mohler, de puzzellegger, de regenfluiter

Armin Mohler, ver buiten de Duitse staatsgrenzen bekend als auteur van het standaardwerk over de conservatieve revolutie (Die konservative Revolution in Deutschland 1918-1932 – Ein Handbuch) stierf op 4 juli 2003. Geboren in Basel (Zwitserland) in 1920 was hij in zijn jeugd duidelijk links georiënteerd. Hij onderging ook invloeden van Spengler, Nietzsche, Jünger. Even papte hij aan met het nationaal-socialisme en ging zelfs clandestien de grens over om in de Waffen-SS dienst te nemen, plan dat echter niet doorging. Ook werd hem heel snel de tegenstelling duidelijk tussen het nationaal-socialistisch apparaat en zijn conservatief-revolutionaire idealistische voorstellingen. Dan maar van het ongemak een deugd gemaakt : hij studeerde uiteindelijk af bij de professoren Karl Jaspers en Herman Schumacher over de conservatieve revolutie.

Eigenlijk moeten wij Armin Mohler enorm erkentelijk zijn : het begrip conservatieve revolutie werd door hem succesvol gelanceerd en blijft als begrip tot op vandaag overeind. Volgens Stephan Breuer is Mohler op die manier verantwoordelijk voor dit succesvolle begrip dat het ook in wetenschappelijke kringen heeft gemaakt. Het is ironisch dat deze term, die nu vaak door de hogepriesters van het zgn. antifascistisch geloof wordt verbonden aan het fascisme, juist door Armin Mohler werd geponeerd om duidelijk te maken dat er duidelijke verschillen bestonden tussen de conservatief-rechtse en/of jong-nationalistische krachten in het tussenoorlogse Duitsland en het aanstormende nationaal-socialisme en dat, als er van overlappingen tussen beide “kampen” kan worden gesproken, deze verbindingen zeker en misschien uitgebreider bestonden tussen andere politieke krachten (sociaal-democraten, liberalen, etc.) en het nationaal-socialisme.

Mohler omschreef het heterogene gezelschap van jongconservatieven, Völkischen, nationaal-revolutionairen, Bündischen en Landvolkbewegung als Konservative Revolution en zag hun eenheid in de strijd tegen de liberale decadentie en de universalistische tendensen van het moderne. Karl Heinz Weissmann herhaalt Armin Mohler in Junge Freiheit als hij schrijft : “Voor de Achsenzeit was het conservatief streven gericht op het verleden, daarna op de toekomst. Voordien is het erop geconcentreerd het overgeleverde te bewaren, of zelfs de verloren gegane toestand te herstellen. De Achsenzeit is voor de conservatief een tijd van ontnuchtering. Hij ziet dat bepaalde groepen een status quo hebben geschapen, die voor hen niet acceptabel is, en dat vroegere toestanden niet meer herstelbaar zijn. Zijn blik wendt zich voorwaarts”.

Onder invloed van de historicus Zeev Sternhell zou Armin Mohler iets later tot het besluit komen dat niet de Eerste Wereldoorlog of de bolsjewistische revolutie het echte lontmoment geweest waren voor de conservatieve revolutie, maar wel het feit dat het wegvallen van de toepasbaarheid van de termen “links” en “rechts” bij veel mensen voor reacties had gezorgd, en zij hierna stellingen begonnen te nemen die nu eens “links” en dan weer “rechts” waren. Men kan het ook anders omschrijven : ontgoochelden van links en rechts vonden zich in nieuwe positioneringen, die Zeev Sternhell als “fascisme” omschreef en Mohler juister als “konservatieve revolutie” bepaalt. Mohler doorstak het ballonnetje van rechts = conservatief = fascisme.

Laten wij Mohler echter niet de geschiedenis ingaan als alleen maar de auteur van een razend interessant handboek. Hij was secretaris van Ernst Jünger tot 1953 en als journalist voor enkele Zwitserse en Duitse dagbladen actief in Parijs. In 1961 leidde hij de Carl Friedrich von Siemensstiftung (tot 1981), een culturele kring met enorme uitstraling. Uit zijn Franse tijd hield hij een oprechte bewondering over voor het Gaullisme en hij probeerde vruchteloos de waarde van dit buitenlandse voorbeeld in de Duitse pers te brengen. Hij ging zwaar te keer tegen de Vergangenheitsbewältigung in Duitsland en stelde de onbehoorlijke vraag waartoe ze moest dienen. (Was die Deutschen fürchten en Der Nasenring behandelen dit thema uitvoerig). Mohler wees met scherpe pen op het soevereiniteitsdeficit en schaamde zich er niet voor uit te halen naar de VSA, zijn voornaamste vijand. Hij was niet in de eerste plaats anticommunist, wat hem onderscheidde van zovele (bange) Duitse conservatieven. Vijandschappen legde hij slechts na lang wikken en wegen vast, als we Karl Heinz Weissmann mogen geloven. Links viel hij aan niet omwille van haar neomarxisme, maar “wel omwille van haar steriliteit, haar neiging om de heropvoeding (van de Duitsers, red.) verder te zetten en haar hedonisme die elke cultuurscheppende ascese kapot maakt”.

Armin Mohler hield niet erg van het woord conservatief, omdat iedereen wel iets wil behouden of bewaren. Hij vond meer inhoud in rechts : rechts wil niet conserveren, het gaat er in werkelijkheid om toestanden te creëren, nieuw te creëren, waarvan het loont ze te bewaren.

Zijn laatste grote omslag kwam er met de Franse Nouvelle Droite (en hier kan misschien ook even opgemerkt dat Armin Mohler de Deltastichting en TekoS heeft gekend – ik verwijs naar het afscheidsartikel van Luc Pauwels in het ledenblad van de Delta-Stichting). Eén van de zaken die hem op filosofisch vlak verbond met de (toen) jonge Fransman Alain de Benoist was het nominalisme, waarover in TEKOS nummer 109 in vertaling een bijdrage werd afgedrukt. Nominalisme, een begrip en een inhoud die zoveel conservatieven irriteerden – zoals Mohler ook op andere manieren op conservatieven kon inhakken en hen irriteren : het onburgerlijke, ja zelfs het antiburgerlijke bij Mohler, zijn vitaliteit, zijn capaciteit om te begeesteren, zijn scherp oordeel en soms té scherp woord. Links of rechts : het kon Mohler eigenlijk niet veel schelen, als ze hun ding maar goed verdedigden.

Mohler heeft zijn droom, een professoraat politieke wetenschappen opnemen, nooit kunnen waarmaken. Veel uitgeverijen sloten voor hem hun deuren. In 1967 werd hem de Adenauerprijs toegekend en ontketende een bepaalde pers een heksenjacht tegen hem Is hij mislukt in zijn leven ? Mohler, zo besluit Weissmann zijn artikel in Junge Freiheit, wees graag op auteurs die onduidelijke maar aanwijsbare invloeden op het leven hebben. “Regenfluiters” worden ze genoemd, maar het zijn eigenlijk vogels die met hun gefluit een storm aankondigen. Armin Mohler behoort tot het gild van de regenfluiters. Zo zei Mohler zelf : “Ze waarschuwen voor de komende vernietiging, maar ze wensen op geen enkele manier een terugkeer naar de goede oude tijd. Hun doel is niet het bewaren van hetgeen reeds land over zijn tijd heen is, maar het vasthouden aan het wezenlijke”. Mohler wees op het wezenlijke, wees op Europa, op onze cultuur, en dat had niets met “fascisme” te doen. De getuigenis van Armin Mohler zal van wezenlijk belang blijven in onze strijd .

TWEEDE GETUIGE à décharge : Ernst Niekisch, de taboebreker

Het complexe en niet alledaagse leven van Ernst Niekisch, zijn ideeën en de evolutie van zijn ideeën vormen één groot démenti van de ondraaglijke lichtheid van het zgn. antifascistisch discours : conservatief = rechtse zak = antisociaal = fascisme. Het blijft daarom boeiend enkele facetten en feiten aan het papier toe te vertrouwen en wij baseren ons hiervoor op de inleiding van Alain de Benoist van de Franse vertaling van Ernst Niekisch, Adolf Hitler – une fatalité allemande, Pardès, Puiseaux, 1991, ISBN 2 – 86714-093-5.

Niekisch gaat door voor één van de heftigste tegenstanders van het nationaal-socialisme en is een epigoon van wat men het nationaalbolsjewisme heeft genoemd. Hij werd geboren in Silezië in 1889 en zal in Berlijn sterven in 1967. Tijdens de Eerste Wereldoorlog is hij instructeur van jonge rekruten en Feldwebel in een gevangenenkamp in München. Hij leest er Marx en sluit zich aan bij de sociaal-democraten. Op 18 november 1918 verneemt hij dat de republiek in München door Kurt Eisner is uitgeroepen, dat soldaten in Augsburg hun raden zouden willen aanduiden. De sociaal-democraten aarzelen en besluiten dan Niekisch naar de kazerne te sturen. Uren later is hij de voorzitter van de soldaten- en arbeidersraad, zit in het centraal comité van Beieren en zal zelfs afgevaardigde worden in het nationaal congres in Berlijn. Na de moord op Eisner, op 21 februari 1919, zal hij de beweging even leiden, en heeft hij oa. gesprekken met Rathenau, in de hoop de beweging nog te kunnen redden. Hij zal zich verzetten tegen de pogingen van de anarchisten Landauer en Mühsam om een tweede, communistische revolutie uit te lokken, want hij vindt het sovjetsysteem voor Beieren niet geschikt – een ruraal gebied. De witte terreur zal ook Niekisch niet sparen en hij wordt tot 2 jaar opsluiting veroordeeld Hij ontdekt er Spengler en leert er het primaat van de buitenlandse politiek erkennen, hij deduceert er dat een sociale revolutie eerst een nationale revolutie onderstelt. En bij Pruisische auteurs snuift hij de Pruisische geest op.

In 1922 ontmoeten wij Niekisch in Berlijn, de stad waar hij steeds naartoe wilde. Hij is er secretaris van de jeugdafdeling van de Duitse Textielvakvereniging (met 70 000 leden) en gaat er vrij snel de strijd aan met de reformistische vleugel van de partij. Hij wil een nieuwe intellectuele lijn voor de partij en pleit voor een verregaande identificatie van de arbeidersklasse met de staat en tegen de capitulatie t.o.v. Frankrijk en het Dawesplan, dat zal leiden tot een grote inmenging van het Amerikaanse bankwezen in Duitsland. De Duitse sociaal-democratische partij moet “de weerstand van het Duitse volk groeperen tegen het Westers imperialisme”. Hij poneert de quasi-identiteit van volks en staat. Staat en volk zijn één, een eenheid die boven de veranderingen van tijden staat, ook omdat zij niet één generatie vertegenwoordigt, maar alle. Dit is iets wat het uitsluitend politieke karakter van het liberalisme niet kan begrijpen, noteert Niekisch.

In Grundfragen deutscher Aussenpolitik (1925) verdedigt Ernst Niekisch de idee van klassentegenstellingen, maar onderstreept hij terzelfdertijd het primaat van de buitenlandse politiek, waar de klassentegenstellingen slechts secundair zijn. Als men de Russische revolutie slechts ziet als een sociaal revolutionaire gebeurtenis, dan merkt men het essentiële niet op. Men kan haar slechts begrijpen vanuit het licht van de buitenlandse politiek. En Niekisch hamert hier reeds op een nagel, die hij later nog herhaaldelijk zal beslaan : hij roept Duitsland op om weerstand te bieden tegen de “gerichtheid op het Westen”, gerichtheid die tegengesteld is aan de echte Duitse belangen. En door haar oriëntatie op het Westen versterkt de SPD (sociaal-democraten) het kapitalisme. Met deze stellingen heeft hij succes bij de Hofgeismarkreis, een kring van SPD’ers die proberen de nationale idee en het socialisme te verzoenen, en het is met deze kring dat hij het tijdschrift zal starten, Widerstand (vanaf 1926) dat hem befaamd zal maken. Met de medewerking van August Winnig krijgt het blad een nationaal-revolutionair karakter, Winnig riep de arbeiders op om deel te nemen aan de nationale opstand en stelde dat de vijand niet de patroon of de werkgever was, maar het internationaal financieel kapitaal. Jongconservatieven, neo-nationalisten, paramilitaire groepen met als voornaamste Oberland, Bündische groepen zullen de ideeën van Niekisch nu leren kennen, en uit bvb. de Bündische groepen, met hun ideeën over “Bündisch socialisme” zullen heel wat latere nationaal-bolsjewisten komen.

Belangrijk voor Niekisch is ook zijn ontmoeting met Ernst Jünger, die voor Widerstand enkele belangrijke bijdragen zal schrijven, maar die zich toch nooit nationaal-bolsjewist zal noemen. Hij heeft wel invloed op het blad en zal het in de richting duwen van een “nieuw aristocratisme”, geïnspireerd door een “heroïsch realisme”.

1928-1930 : De Widerstandskringen nemen uitbreiding, zowel op het vlak van medewerkers als op het vlak van invloed onderaan. A. Paul Weber, van wie we hier enkele tekeningen afdrukken, verleent zijn medewerking en de filosoof Hugo Fischer zet zijn schouders mee onder de onderneming. In 1928 wordt een uitgeverij opgericht, de Widerstandsverlag.

Het valt niet te ontkennen dat dit nationaalbolsjewisme tevens een hernieuwing betekent van de aloude “Ostorientierung”, maar nu tevens verbonden met een nieuwe ideologie in het Oosten, het bolsjewisme. Nationaalbolsjewisten wilden een gerichtheid op het Oosten, eerder dan op de Rijnlandse gebieden. En : voor hen is het Verdrag van Versailles een instrument van de liberaalkapitalistische bourgeois om de oorlog tegen Duitsland verder te zetten en haar op een blijvende manier te knechten. Het kapitalisme is het systeem van de onderdrukker en toevallig ook het economisch stelsel van het Westen. Duitsland moet dus een Schicksalsgemeinschaft vormen met Rusland. Binnen de totaliteit van de Konservative Revolution zorgde dit wel voor moeilijkheden : hoe een natuurlijke “Ostorientierung” verzoenen met een noodzakelijke kritiek op het marxisme ? Twee sleutelideeën zullen hierbij helpen :

1. De overtuiging dat er heel wat gemeenschappelijke punten bestaan tussen bolsjewisme en Pruisische stijl – een sterke staat, gehiërarchiseerd, de wil om het burgerlijke parasietendom te vernietigen. 2. En de idee dat het bolsjewisme vooral een Russische beweging is, waarvan het internationaal marxisme maar een façade is.

Maar er bleef toch steeds een ambiguïteit bestaan binnen de conservatieve beweging : voor de enen was de bolsjewistische revolutie niets anders dan de radicale vorm van kosmopolitisme, anderen zagen 1917 dan weer als een elektrische schok, noodzakelijk om de Russen opnieuw een gevoel van eigenwaarde te geven. “Elk volk heeft zijn eigen socialisme” zou Moeller van den Bruck schrijven, met als onderliggende idee dat elk volk zijn eigen revolutie heeft, en dat elke revolutie ook door het volk wordt gekleurd. Nog anderen zien in het marxisme een soort nageboorte van het kapitalisme en achtten het dus niet in staat om dit kapitalisme afdoende te bestrijden. Vele nationaalrevolutionairen echter blijven de affiniteiten onderstrepen : het bolsjewisme is een idealistische beweging, gericht op een ethiek, een ethiek van de arbeid, het offer, het primaat van de collectiviteit op de enkeling. Vanaf 1927 wordt in deze kringen de Russische revolutie dan ook als een mogelijk voorbeeld van nationale en sociale herstructurering beschouwd. Widerstand zal in 1928 Stalin zelfs gelukwensen met de dood van Trotsky en zijn pogingen om de nationale orde en eenheid in Rusland te versterken. Niet alle nationaalrevolutionairen gaan even ver, en sommigen gaan nog verder. Karl O. Paetel, die in 1941 asiel zoekt in New York, en in 1963 een anthologie over de Beat generation zal schrijven, staat volledig achter de klassenstrijd.

In 1929 schrijft Niekisch met Jünger een artikel waarin zij pleiten voor een samenwerking met de communisten, op voorwaarde dat het marxisme zich zou keren tegen de gevestigde Weimarorde. Het wordt een dovemansgesprek, want voor de nationalisten zijn de marxisten nog maar halverwege, en voor de marxisten is het al even duidelijk : als de nationalisten werkelijk zo begaan zijn met het lot van de arbeiders, moeten ze maar gewoon marxisten worden.

In 1930 werkt Niekisch opnieuw hard in de richting van een nieuwe “Ostorientierung” : hij maakt duidelijk dat de Duitser geen slaaf of Rus moet worden, maar dat het gaat om een noodzakelijke coalitie. Rusland, voegt hij er aan toe, is niet liberaal, is niet parlementair en is niet democratisch. Zijn ideeën slaan vooral aan in Bündische kringen en bij het Oberlandkorps (vrijkorps). Niekisch mag regelmatig op bijeenkomsten het woord voeren, maar zijn minder gemakkelijk karakter veroorzaakt scheuren, en hij besluit zijn eigen kringen op te richten – wat daadwerkelijk gebeurt vanaf 1930-31, de zgn. Widerstandskringen. Het totaal aan effectieven schat Uwe Sauermann (een na-oorlogs publicist) op 5000, maar de invloed is vele malen groter. Louis Dupeux schat het totaal aan nationaalbolsjewisten op ongeveer 25 000. De invloed van Niekisch is vooral aantoonbaar bij jongeren, die worden aangesproken door zijn radicalisme, zijn scherpe formuleringen. Anderen verwijten hem dan weer zijn gebrek aan soepelheid, zijn moeilijk karakter. Hij was m.a.w. geen practisch politicus. Hij trok begeesterde leerlingen aan, maar kon nooit massa’s volgelingen verzamelen.

Nog een woord over de verhouding van Ernst Niekisch en het nationaal-socialisme. Hij was ongetwijfeld een van de eersten om te waarschuwen voor het nationaal-socialisme, reeds in 1927. Niet alleen omwille van haar jodenpolitiek, maar ook omdat het nationaal-socialisme vastzit in een fanatiek anticommunisme en haar “Ostorientierung” niets anders is dan expansionisme en imperialisme. Een politieke leer, die het ras als het beslissende element van haar politiek beleid maakt, beschouwt Niekisch niet als Duits, maar als Beiers, zuiders en katholiek. Begin 1932 brengt hij zijn brochure Hitler – ein deutsches Verhängnis op de markt, waarin hij zijn waarschuwingen nog eens herhaalt. Het boekje haalt een oplage van 40 000 exemplaren. Sebastian Haffner ziet Niekisch en Hitler als twee volmaakte antipoden, die maar één gemeenschappelijk punt hadden : hun haat voor de Weimarrepubliek. In de lente van 1932 neemt Niekisch nog deel aan een studiereis naar de Sovjet-Unie op uitnodiging van een arbeidsgroep voor de studie van planeconomie (Arplan), hij heeft er contact met Karl Radek, en schrijft bij thuiskomst nog een lovend artikel over de Sovjet-Unie, waarin hij pleit voor de collectivisatie als een mogelijke sociale organisatievorm die “de moordende effecten van de techniek het best kan beheersen”.

Niekisch wordt – zoals iedereen – in snelheid gepakt door de machtsgreep van Hitler, “een persoonlijk succes voor de man, een mislukking voor het nationaal-socialisme” vindt hij. Hij noemt hem ook “der Talentlose”. Op 20 december 1934 wordt Widerstand verboden, en Niekisch wordt de verklaarde vijand van de NSDAP. Ondanks politiecontrole slaagt hij er nog in enkele binnen- en buitenlandse reizen te maken. Hij blaast de rijksgedachte nieuw leven in als laatste poging om het racisme van het nationaal-socialisme een alternatief te bieden. Zijn laatste brochure Die dritte Imperiale Figur en Im Dickicht der Pakte worden door de Gestapo opgespoord. Op 22 maart 1937 wordt hij, samen met een zeventigtal van zijn medestanders, aangehouden en op 10 januari 1939 volgt het oordeel : hij wordt veroordeeld wegens hoogverraad, zijn bezittingen worden aangeslagen en hij verliest zijn burgerrechten. In 1945 wordt hij door de Amerikanen bevrijd, hij wordt lid van de (West-Duitse) KPD en hij wordt professor aan de Humboldt-universiteit in het oostelijke deel van Berlijn. Hij noemt zich voortaan democraat en progressief, hij valt opnieuw de westelijke orientering aan van de BRD en staat op een strikt neutralisme, maar hij blijft streven naar een herenigd Duitsland.

Niekisch een fascist? Voor Sebastian Haffner is hij een revolutionair socialist, Armin Mohler beschrijft hem als de meest radicale nationalist. Alain de Benoist sluit zijn inleiding als volgt af : Niekisch werd gevangengezet onder Weimar, onder Hitler, uitgespuwd door de overheden van de BRD en veracht door de DDR. Zijn fundamentele idee blijft dat nationale bevrijding en socialistische revolutie samengaan. De paradox is dat Niekisch de URSS bewonderde door juist die redenen, waarvoor ze werd verafschuwd door haar tegenstanders, en voor de omgekeerde redenen, waarvoor ze werd bejubeld door haar bewonderaars. Natuurlijk heeft Niekisch zich veel illusies gemaakt over de Sovjet-Unie, maar hij heeft het toch op enkele punten bij het rechte eind : is het vanop afstand bekeken niet zo dat het Stalinistische Rusland eerder moet worden gekwalificeerd als een nationaal-bolsjewistische staat ? En opent een nieuwe Duits-Russische samenwerking geen perspectieven voor morgen ?

CONCLUSIE

Er is geen fascistische dreiging in Vlaanderen, in Nederland, in Europa. Een logische vraag blijft dus gesteld : waarom is er dan een zgn. antifascisme ? De twee getuigen à décharge moeten de druk op dit zgn. antifascistisch kamp verhogen om eindelijk eens hierover de discussie aan te gaan

Bron: http://www.peterlogghe.be/tekos111lichtheidaff.htm